Schrijvers imiteren God, maar op een onbeholpen manier; De Vietnamese literatuur sinds 30 april 1975

‘Hanoi is het hoofd van Vietnam, Saigon de buik,’ zegt een Noordvietnamese schrijver. ‘De literatuur van het Zuiden is gul en direct, die van het Noorden gereserveerd,’ beweert men in Zuid-Vietnam. Hoe heeft de Vietnamese literatuur zich sinds het einde van de oorlog in 1975 ontwikkeld? ‘Duong Thu Huong blaast politieke verboden op, Pham Thi Hoai seksuele. Bao Ninh laat de eerste menselijke jammerklacht om de oorlog horen.’

Duong Thu Huong blaast politieke verboden op.

‘Op deze dag, die van zo groot belang is voor de eenheid van Vietnam en voor de vriendschap tussen de volkeren, de dag waarvoor het Vietnamese volk zoveel offers heeft moeten brengen maar die het heil van de toekomst in zich bergt!’ Op deze dag, precies 20 jaar na de val van Saigon op 30 april 1975, is het hem een groot genoegen mij te mogen begroeten voor een gesprek vol wederzijds respect en begrip. Waarvan ik, naar hij hoopt, mijn volk een getrouw verslag zal doen, in het belang van de Vietnamese literatuur en – alweer – de vriendschap tussen de naties.

Huu Thinh, plaatsvervangend secretaris-generaal van de Vietnamese Schrijversbond, ontvangt me aan een weelderig gedekte tafel tegen een decor van tropische planten. Buiten is de drukte nog groter dan normaal: muziek schalt over het Hoan Kiem Meer, het hart van Hanoi, podia worden in elkaar getimmerd voor de optredens van vanavond, het is een bont gekrioel van mensen onder de rode vaandels met Ho Chi Minh’s leuzen over vrijheid en vrede. Maar in deze kamer is het koel en stil – een koelte en een stilte die ik nog niet eerder ben tegengekomen in Hanoi, of het moest in Ho’s mausoleum zijn. Slechts het suizen van de ventilator, het pengekras van Huu’s secretaresse, die ons gesprek noteert, en Huu’s galmende stem.

De Vietnamese Schrijversbond, die werd opgericht in 1957 als literaire afsplitsing van de overkoepelende Culturele Vereniging voor Nationale Redding, heeft een welomschreven doel: schrijvers te verenigen, zodat er goede boeken geschreven zullen worden. En een goed boek, dreunt Huu, is een boek dat bijdraagt aan de vorming van de nieuwe mens. Volgt een uitgebreide profielschets van de nieuwe mens. Hij is de belichaming van de morele tradities van de natie maar ook de morele voorloper; hij stelt het lot van de natie boven dat van hemzelf; hij strijdt tegen buitenlandse agressie, tegen onderdrukking en uitbuiting; hij streeft naar vriendschap tussen de volkeren …

Niet alleen straatlawaai en hitte houden deze muren tegen; ook iedere frisse wind wordt geweerd. Er heerst hier een vacuüm. Terwijl Huu’s galmen en het gedempte stemgeluid van de tolk elkaar afwisselen, herinner ik me een kort essay van de jonge eigenzinnige schrijfster Pham Thi Hoai (1960), dat 2 jaar geleden in het Nederlands werd vertaald. ‘Vietnamezen beweren doorgaans dat ze van oudsher veel waarde hechten aan literatuur,’ zo begint het, ‘En inderdaad, in vergelijking met hun respect voor andere waarden, zoals discipline, moed of mensenrechten, is hun respect voor de literatuur uitzonderlijk groot. Het reikt zelfs zover dat er nooit enige noemenswaardige twijfel aan de literatuur heeft kunnen opkomen, laat staan het idee om iets aan die literatuur te veranderen.’ Na een lange periode van onwrikbare stabiliteit laten de laatste jaren echter een kentering zien, schrijft Pham aan het eind van haar essay. ‘Recentelijk heeft zich een stel nieuwe schrijvers aangediend (-) die niet meegedijen en die zich onttrekken aan de knellende greep en de holheid.’

Enkele namen duiken steeds weer op in de dagen dat ik hier nu ben. Duong Thu Huong, Bao Ninh, Nguyên Huy Thiêp en Pham zelf, zij zijn het die de literaire kringen in Hanoi bezighouden. Bao Ninh en Duong Thu Huong doorbreken vooral politieke taboes; zij worden in de eerste plaats gewaardeerd om hun moed en oprechtheid. Thiêp en Pham zijn de voorbeelden voor jonge schrijvers op zoek naar een nieuwe esthetica. Dit zijn ook de 4 namen die in hoog tempo bekendheid krijgen buiten de landsgrenzen.

Huu heeft inmiddels vele namen genoemd, maar nog geen van deze 4. Ik vraag ernaar. Hij kijkt me doordringend aan: ‘Dat zijn middelmatige schrijvers.’ Dat ze in eigen land problemen met publiceren hebben, is logisch. Hun boeken zijn tegen het Vietnamese volk gericht. En ze hebben te weinig talent. Vooral dat: gebrek aan talent.

Franje

Later die dag zie ik Bao Ninh, de auteur van Het verdriet van Vietnam. Ik ontmoet hem op een van de vele Hanoise terrasjes, waarvan je als nieuwkomer niet onmiddellijk doorhebt dat het terrasjes zijn. Minuscule tafeltjes met rommelig daaromheen wat poppenkrukjes, verzonken in de drukte van straathandel, straatkappers en spelende kinderen. Hij heeft een Hanoise 1e uitgave bij zich, uit 1991. Het lot van de liefde moest het boek toen nog heten. Pas bij de 2e druk, in Ho Chi Minh-stad, kreeg het zijn eigenlijke titel terug. Bao Ninh geeft een van alle franje ontdaan en daarom de autoriteiten onwelgevallig beeld van de oorlog tegen de Amerikanen.

Bao Ninh is nooit van plan geweest om schrijver te worden. Na het einde van de oorlog heeft het nog ruim 10 jaar geduurd voor hij aan zijn boek begon. Het schrijven heeft hem geholpen. Mede daardoor kan hij nu de 30e april zien als ‘een mijlpaal in de geschiedenis, maar voor mij persoonlijk bijna een dag als alle andere.’ Als het boek ook anderen tot steun is geweest, is hij daar blij om, maar zijn opzet was het niet. Hij heeft zijn bekomst van literatuur met een nobele missie. Dat is wat de overheid eist, zegt hij, oorlogsliteratuur die het moreel van de bevolking opkrikt. Volgens de ouderichtlijnen uit Peking en Moskou. ‘Verhalen over hoe de oorlog gestreden en gewonnen werd. Ze zijn waardeloos, omdat ze niet over mensen gaan.’

De opluchting die het schrijven hem heeft gegeven is groot, maar niet volledig. De oorlog blijft steken als ‘een nooit helemaal genezende wond’. De heftigste steken komen van het besef dat wat zich manifesteerde als broedermoord eigenlijk een internationale oorlog was. De kloof die werd geslagen tussen Noord- en Zuidvietnamezen is nu, na 20 jaar, een stuk kleiner geworden. Wat hen nog scheidt, zijn volgens Bao Ninh eerder culturele dan ideologische verschillen. Het Zuiden werd pas in de 15e eeuw opgenomen in het Vietnamese rijk. Noord en Zuid, in 1954 van elkaar gescheiden, zijn tot op zekere hoogte 2 aparte regio’s gebleven, met elk hun eigen mentaliteit en temperament. Dat men in het Zuiden munt probeert te slaan uit het verleden, met een uitgebreid assortiment aan oorlogssouvenirs en café’s als Apocalypse Now en Good Morning, Vietnam stoort hem nu niet meer. ‘Ze zijn daar bijna even arm als wij hier, dus als er vraag naar is, en nog wel van Amerikaanse zijde, waarom niet?’

Diepe minachting daarentegen voelt hij voor de opschepperij over de oorlog door de machthebbers. Want dat is nu juist de 2e pijnbron voor de Noordvietnamezen: het steeds groeiende gevoel bedrogen te zijn. Zelf was hij 17 toen hij in 1969 naar het front ging. ‘Zoals iedereen dacht ik toen dat vechten voor het communisme betekende: vechten voor vrijheid en democratie. Nu zul je hier niemand meer vinden die oprecht in de vroegere idealen gelooft, alleen van hogerhand wordt er nog aan vastgehouden.’ Maar ook dat zal misschien niet meer zo lang duren, hoopt hij. In 1986 werd in Vietnam de doi moi ingezet, de Vietnamese variant van perestrojka en glasnost. En hoewel de overheid na een paar jaar alweer terugkrabbelde, geschrokken van de ontwikkelingen in Oost-Europa, is de geest uit de fles. Voor zijn 2e boek – ook over de oorlog – dat al een tijdlang in zijn bureau ligt te wachten, acht Bao Ninh de tijd echter nog niet rijp.

Opdringerig

Die verschillen in mentaliteit en temperament, waarover Bao Ninh het had, daarover lijken de intellectuelen die ik in Hanoi tegenkom, het eens. ‘Hanoi is het hoofd van Vietnam, Saigon de buik,’ zegt de een. ‘Alle grote denkers komen uit het Noorden’, beweert de ander. ‘Zuiderlingen zijn oppervlakkig’, echoot een 3e. Dát er verschil is, merk ik zodra ik in Ho Chi Minh-stad, het vroegere Saigon, aankom. Wat in Hanoi drukte en lawaai was, lijkt in deze hel van hitte, stof en brom- en motorfietsen een oase van rust. Overal krijsende muziek en krijsende mensen. Om de paar passen word ik aangesproken. Wheye from? Wheye go now? Want bicycle? Buy postcards? Pineapple? Souvenirs? Hoe weinig opdringerig, hoe ingetogen is Hanoi, achteraf.

Ja, er is verschil, zeggen ook de Zuidvietnamese schrijvers met wie ik afgesproken heb in een café dat aanleunt tegen het kantoor van het tijdschrift Literatuur en Kunst. Zoals te verwachten heet dat verschil hier anders. ‘Zuiderlingen zijn opener en gepassioneerder. Onze literatuur is gul en direct, die van het Noorden gereserveerd. Hun literatuur draagt een stropdas.’

Het café heeft geen binnen, alleen buiten: een stuk hobbelig trottoir, afgedekt door een gestreept plastic zeil. De versiering bestaat uit cola-vlaggetjes en marlboro-affiches. Gammele latten nemen wel de aanblik van de straat weg, maar niet het lawaai en ook niet de stank. ‘The smell of urine and injustice’, typeerde Graham Greene de straatgeur van Saigon in de jaren ’50. Wat er sindsdien ook veranderd mag zijn, dát in ieder geval niet.

Zuidvietnamese schrijvers zijn minder geïnteresseerd in politiek dan Noordvietnamese. ‘Onze generatie is opgegroeid vóór 1975,’ zegt de dichteres Kim Lê, die geboren werd in 1950. ‘Wij hebben de politiek niet, zoals in het Noorden, met de paplepel binnengekregen. Onze geesten zijn vrijer.’ Op het moment van de hereniging was Kim student, evenals de toneel- en prozaschrijfster Minh Ngoc; Ly Lan, ook een prozaschrijfster, had toen bijna de middelbare school doorlopen. Allemaal hadden zij hun opvoeding grotendeels achter de rug, allemaal hadden ze zich naar hartelust kunnen verdiepen in buitenlandse, vooral Amerikaanse en Franse literatuur. Ook na de eenwording hebben ze meer vrijheid behouden dan de Noorderlingen ooit gekend hebben: het regime is in Zuid-Vietnam, afgezien van de eerste paar jaar, altijd wat soepeler geweest.

Het werk van Duong Thu Huong, de populairste schrijfster in het Noorden, slaat hier dan ook minder aan – bij alle bewondering die men heeft voor haar moed. ‘Haar boeken heten Blind paradijs en De illusies voorbij,’ legt Ly Lan uit. ‘Maar haar paradijs en haar illusies zijn nooit de onze geweest; het verlies ervan is dus ook niet ons probleem.’ Om dezelfde reden heeft de doi moi met zijn grotere vrijheid van meningsuiting hier minder effect gehad. De versoepeling van de censuur luidde voor het Noorden een heel nieuwe fase in, maar voor schrijvers in het Zuiden veranderde er weinig: politiek blijft een niet geliefd onderwerp.

Wel zeggen ze unaniem last te hebben van de overheid. Ze doelen daarbij niet zozeer op de praktische en financiële eisen die gesteld worden aan iedere uitgave in eigen beheer – vaak de enige mogelijkheid sinds de gedeeltelijke overgang naar een markteconomie. Met die problemen kampt men ook in het Noorden. De grootste klacht van Zuidvietnamese schrijvers betreft het eeuwige wantrouwen dat hen ten deel valt. Hoewel de censuur officieel is afgeschaft, kan lang niet alles gepubliceerd worden. Het redigeren van literaire teksten is nog altijd een zaak van partijleden, en die begrijpen alleen wat volstrekt doorzichtig en rechtlijnig is. Al het andere is verdacht, vooral wanneer de schrijver uit het Zuiden komt. Achter alles wat Zuidvietnamese schrijvers zeggen of schrijven wordt een politieke motivatie vermoed. Het bezoeken van buitenlandse congressen is voor hen nagenoeg uitgesloten, westerse journalisten worden bij hen vandaan gehouden. En kan het soms toeval zijn, vragen ze, dat geen van hen, gevestigde schrijvers, in het buitenland vertaald is?

Opofferingen

Terug in Hanoi. ‘Het is hoogmoed te denken dat je als schrijver buiten de politiek kunt staan. Politiek en religie zijn onontkoombaar als je in een gemeenschap leeft.’ Het klinkt bedachtzaam, zoals alles wat Nguyên Huy Thiêp (1950) zegt, de schrijver die de laatste jaren met zijn verhalen het meeste stof heeft doen opwaaien onder de Noordvietnamese intelligentsia. In Een generaal met pensioen, het titelverhaal van zijn eerste bundel, beschrijft hij hoe een gepensioneerde generaal ontdekt dat zijn schoondochter, werkzaam in een kraamkliniek, geaborteerde foetussen voert aan de honden die ze fokt om het gezinsinkomen wat te vergroten. Het inzicht dat materialisme en morele indifferentie de vruchten zijn van de lange reeks opofferingen die hij en zijn kameraden zich hebben getroost in naam van het vaderland, doet hem zijn familie verlaten om alsnog aan het front te sneuvelen.

Naast dit genre, waarin een rauw realisme domineert, schrijft Thiêp historische verhalen, waarin hij een heel eigen visie geeft op nationale mythen; deze verhalen zijn vaak moeilijk te begrijpen voor wie slechts een globale kennis van de Vietnamese geschiedenis heeft. Parabels, legenden en sprookjes hebben echter zijn grootste voorkeur. ‘Schrijvers imiteren God, maar op een onbeholpen manier,’ zo verklaart hij die voorkeur. ‘Wij kunnen de essentie slechts benaderen door te schrijven in vergelijkingen. Literatuur is een beweging naar het doel toe, maar kan nooit het doel bereiken. Dat is de beperking en de grootsheid van literatuur.’
Tijgerhart, de bundel die onlangs in Nederland verscheen, geeft een goed beeld van Thiêps veelzijdigheid. Maar hoe de sfeer in zijn werk ook is, concreet tot in het weerzinwekkende of droomachtig en vaag, bijna overal schetst Thiêp harteloosheid, corruptie, wellust. ‘Het belangrijkste inzicht dat ik in mijn leven heb verworven is dat er maar 1 waarheid bestaat in de betrekkingen tussen mensen, en dat is dwaling. De overheid houdt zich bezig met de organisatie van die alomtegenwoordige dwaling; haar bemoeienis kan positief of negatief uitpakken, dat verschilt van land tot land, van periode tot periode. Wat het voor het huidige Vietnam geworden is, daarover hoef ik u niets te vertellen.’

Toch ziet hij zijn werk niet als een aanklacht tegen de moderne Vietnamese maatschappij. ‘Ik stel vast wat zij is en treur om wat zij niet is. Wie ben ik om te beschuldigen?’ Zijn frequente persoonlijke aanvaringen met de overheid bagatelliseert hij: die heeft iedere schrijver.

De Vietnamese literatuur heeft volgens Thiêp nauwelijks verleden, alleen toekomst. Vóór de 20e eeuw bestond er geen eigen geschreven literatuur zoals in het Westen. De Vietnamese roman is pas ontstaan omstreeks 1925, toneel nog later. Voortdurende oorlogen en een totalitair bewind hebben een normale literaire ontwikkeling in de weg gestaan. Pas sinds 1986 hoeft literatuur officieel geen politiek doel meer te dienen. Wat we nu in de literatuur meemaken is volgens Thiêp eerst en vooral een explosie van barrières. ‘Duong Thu Huong blaast politieke verboden op, Pham Thi Hoai seksuele. Bao Ninh laat de eerste menselijke jammerklacht om de oorlog horen. Elke creatie gaat gepaard met een knal, elke geboorte met een schreeuw. Maar wat daarná komt, daar gaat het om.’ – NRC, door Helen Saelman [26.05.1995]