Nieuwe wilden

Ooit was dit een Franse horlogewinkel. De stoffige etalage met piepkleine vensters herinnert eraan. Nu staat galerie Nam Son bekend om zijn gewaagde repertoire. Tussen de ionische zuiltjes hangen lichtbakken, op de tafels staan flessen vruchtenwijn en mineraalwater. Iedereen is jong en mooi.

De vrouwen gekleed in zijden tunieken met wijd decolleté en broeken boven de enkel. Hun wimpers fladderen als vlinders in het tl-licht. De mannen dragen jeans en T-shirt met gympen eronder. De meesten hebben lang haar en vervaarlijke snorren of tochtlatten: schilderen in Vietnam is mannenwerk en wie tot de broederschap behoort, wil er niet uitzien als de nhan vien (kantoormuizen). Alleen galeriehouder Nguyen Lai ontbreekt weer eens. Hij haat vernissages.

De nieuwe wilden van Hanoi zijn Hoang Anh (37) en Pham An Hai (32). Anh hangt links, Hai rechts. Anh wil de ziel van het oude Vietnam terughalen. Zijn plattelandstaferelen zijn geïnspireerd op 1.000 jaar oude volksliedjes en opera-scènes. Zijn vrouwen rijzen als rijstplantjes op uit de velden. Hij loopt in hemd en flodderbroek tussen zijn doeken en laat zich vollopen met vruchtenwijn.

Hai is de chroniqueur van de miljoenenstad. Zijn mistroostige pastelvlakken tonen het verval van het oude Hanoi dat hij liefheeft. Ik kan mijn ogen niet afhouden van nummer 12 uit zijn collectie, Gele avond geheten. Ik heb nog nooit zulk geel gezien. Het is het geel van brandend rijstpapier, alsof de zon voor het eerst door de kieren van het universum breekt. Ik probeer hem tot een gesprek te verleiden, maar Hai wordt voortdurend afgeleid. Ten einde raad brengt hij me een bekertje vruchtenwijn: ‘Drink now – we talk tomorrow.’

De volgende ochtend regent het pijpenstelen. Een brede waterval, afkomstig van de 3e verdieping, klatert op het trottoir voor de openstaande deuren van Nam Son. Binnen houdt galeriehouder Lai, een broodmagere 40’er met gitzwart haar, krijgsraad aan de theetafel. Thai Ba Van, 1 van de grootste kunstcritici, is gisteravond overleden. Hij zou de catalogus voor Anh en Hai maken, maar het is er niet van gekomen. Hij heeft zich dood gedronken.

‘Van betekende veel voor ons’, zegt Anh. ‘Een oude man, maar hier’ – hij tikt tegen zijn slaap – ‘was hij jong.’ Iemand reikt een klapstoeltje aan, ik krijg een kop thee en een sigaret. Er worden biljetten van 50.000 dong (8 gulden) ingezameld voor de nabestaanden. Lai vouwt de stapeltjes in enveloppen met het logo van de galerie en schrijft er een paar woorden op. De anderen drinken thee, verlaten zich op zijn competentie. ‘We gaan samen naar de uitvaart’, zegt hij. ‘En jij gaat mee. Als je tijd hebt natuurlijk.’ Ik zeg dat Thai Ba Van alle tijd heeft, dus kan ik ook wel tijd maken. Lai glimlacht verrast. Om me heen klinkt waarderend gemompel: ‘Okay man.’

Lai praat in zijn GSM. De sigaretten worden uitgedrukt, de theeresten verdwijnen in de prullenmand. Een Toyota met een ministerieel blauw nummerbord stopt ruisend naast het trottoir en een man in een onberispelijk blauw pak stapt uit. Meneer Dong, al 40 jaar verbonden aan het ministerie van Cultuur, zal de delegatie vergezellen. Ik besef dat ik niet eens een jasje draag. Kan ik wel met goed fatsoen mee? ‘Inderdaad’, zegt Lai, ‘je ziet er niet uit. Doe die das eens af.’ Hij maakt mijn bovenste knoopje los, doet een stap achteruit en rukt tot besluit mijn overhemd uit mijn broek. Nu zie ik eruit als een kunstenaar. De anderen persen zich in een minibus, ik mag mee in de Toyota. Lai slaat vergenoegd op het autodak en likt het zilte water van zijn hand. ‘De stad huilt om Thai Ba Van!’

Militair ziekenhuis nummer 108 ligt in de Oude Wijk. Van ligt opgebaard in een betonnen bijgebouw met pagode-dak. Wierook walmt uit de open deuren, op het bordes verdringen zich honderden belangstellenden. ‘Alle schilders zijn gekomen’, zegt Lai, ‘ook uit Ho Chi Minh Stad, Hué, Haiphong’. Hij deelt rouwbandjes van zwart plastic uit. Ik krijg er ook een op mijn borstzak geplakt. We wachten en roken terwijl de ene groep na de andere zich achter een rouwkrans opstelt en de pagode betreedt: delegaties van de Partij, kunstenaarsbonden, allerlei comités. Weer buiten gekomen gaan ze uitgebreid zitten voor het condoleanceregister, likken aan hun pen, schrijven ellenlange verhalen. ‘Dat gaat wel even duren’, zucht Lai. ‘Wat wil je?’ zegt de man van het ministerie, ‘Vietnamezen zijn ouwehoeren.

Een half uur later is het zover. Onze krans wordt op het bordes getild. De delegatie van de Hanoise kunstacademie stelt zich op. Een middelbare dame wenkt angstvallig haar vriendin naar voren: ‘Hier is nog een plekje.’ Giechelend strijken ze de plooien uit hun tuniek, plukken aan een losse haarlok. Dan grijpen ze elkaar bij de hand. Door een gordijn van wierook betreden we de ruimte en houden stil voor het altaar. Het is bedolven onder kaarsen, vazen en dikke bundels wierook. Daarachter ligt Van in zijn kist. De familie staat ernaast; de mannen stram, de vrouwen verborgen onder witte voiles. Lai geeft het teken tot gebed. Handen worden vluchtig ten hemel gevouwen, de wierook sist.

Dan lopen we 1 voor 1 langs de kist. Aandachtig kijk ik naar het kleine gezicht met de dunne sik en het woelige grijze haar dat in strengen op het hoofdkussen ligt. Van is roze opgemaakt. Grote watten steken uit zijn neusgaten. Om zijn mond ligt een verbitterde trek, de gepoederde oogleden lijken onwillig gesloten. Buiten scharen we ons zwijgend om het condoleanceregister. De vrouwen vegen hun tranen af met de muis van hun hand. Lai is al klaar met schrijven, hij laat het bij 2 volzinnen. Iedereen tekent, dan begeeft de troep zich naar de auto’s. ‘Van was boeddhist’, zegt Lai op de achterbank. ‘Hij was een groot man, nu is hij dood. Let’s paint!‘ De rouwbandjes gaan af, de ramen open en de Toyota stort zich in het stadsverkeer.

‘Het is een hard maar eerzaam bestaan’, zegt Hai. Hij zit in kleermakerszit op zijn mat. Aan de wanden hangen onvoltooide doeken, in een kist in de hoek staan bussen verf. Hij deelt het kleine atelier met Anh, die een paar flesjes Sprite binnenbrengt en zijn schoenen uit schopt. Een vriendin van Anh, werkzaam bij een multinational, vertaalt. Beiden komen uit kunstenaarsfamilies en zijn zich bewust dat ze een traditie verdedigen, zeggen ze. Hai’s overgrootvader was de dichter Pham Dinh Ho, naar wie een straat in Hanoi is vernoemd. Zijn grootvader is architect, zijn vader is schilder, evenals zijn jongere broer: ‘Het huis hangt vol schilderijen.’ Tot zijn grote trots blijkt zijn zoontje van 5 jaar ook al aanleg te hebben.

Anh’s vader was cameraman bij de Vietnamese filmindustrie, zijn zuster is actrice. De kleine Anh ging vaak mee op locatie en mocht door de lens kijken. Hij vouwt zijn vingers tot een vierkantje voor zijn oog: ‘Van hem heb ik leren kadreren, leren kijken. En omdat hij vaak op het land filmde, had ik al vroeg een liefde voor tempels en rijstvelden.’

Maar wie kunstenaar wil worden, moet een lange leerschool doorlopen, te beginnen met een vooropleiding vanaf zijn 15e. In 1992 deden Hai en Anh tegelijk het gevreesde toelatingsexamen voor de Hanoise academie. Ieder jaar doen honderden kandidaten mee, maar slechts een handvol komt erdoor. Anh: ‘Niemand vertelt wat er van je wordt verwacht, ook oudere studenten niet. Je moet 3 opdrachten maken: een modeltekening, een decoratie en een vrije opdracht. Ik was de zenuwinstorting nabij. Maar het moment van slagen is onbeschrijflijk.’ Hai: ‘Je wordt deel van de familie, van de verouderde tak weliswaar, die nooit geld heeft, maar wel een grote verantwoordelijkheid.’ Ze hebben allebei nog steeds bijbanen om rond te komen.

De hoogtijdagen van het Vietnamese socialistisch realisme (‘Warme genegenheid tussen boeren en soldaten’) zijn voorbij, maar toch brengen de studenten elk jaar 3 maanden op het platteland door. Anh: ‘Door de hardheid van het boerenleven leer je de schoonheid van het land kennen. Die moet je kunnen doorgeven.’ Hun buitenlandse voorbeelden zijn Gauguin, Matisse, Van Gogh en de Chinese zen-meesters. Net als de meeste Aziatische schilders hebben ze geworsteld met de keuze tussen olieverf en lak, tussen canvas en zijde. Ze kozen voor olie. Anh: ‘Olie is expressiever. Voor lak moet je meer handelingen verrichten, je kunt minder corrigeren en het spreekt minder aan.’ Hai rijdt veel rond op zijn motor. De indrukken die hij verzamelt, wil hij meteen vastleggen: ‘Ik neem het licht mee naar huis en breng het binnen een paar uur op het doek. Dat kan alleen in olie. Soms ga ik terug om nog eens te kijken. Vroeger deed ik dat op de fiets, met doek en al.’

Anh schildert uit zijn herinnering, aangevuld met de traditionele muziek en dans die ook in Hanoi veel wordt opgevoerd. Hij houdt van het platteland, maar zou er niet willen wonen. Hij beseft heel goed dat het verandert: ‘Ik wil iets vasthouden dat heel snel verloren dreigt te gaan. De scooters, de toeristen en de tv dringen op het platteland door. Het Tet-festival is een bloemencorso geworden.’ Hai ziet zijn stad onder zijn vingers verkruimelen door de consumptie, het oppervlakkige vermaak, de ‘scootermaatschappij’. De enige redding is dat de gemeente geen masterplan heeft. Hanoi is vooralsnog een chaos waarin de bewoners de baas zijn, omdat alleen zij er de weg kennen.

Ik krijg aanschouwelijk onderricht; de zitting wordt per motorfiets verplaatst. Kruispunten worden in volle vaart genomen. De Honda’s slippen op het brokkelige asfalt en komen tot stilstand voor de biertent van meneer Ha, een oude garage waarin houtskoolvuren branden en groepen Vietnamezen gehurkt zitten te eten en gokken. De parkeerplaats dient als terras. Meneer Ha, een welgedane 30’er met polohemd en vliegeniersbril, wenkt ons naar een vrij tafeltje. Vietnamezen zijn straffe drinkers en al snel wordt de toon meliger. De vertaalster proest in haar mineraalwater. Men is stomverbaasd dat ik stokjes gebruik. Ik eet een reepje zoute vis: applaus. Een blokje tofu: applaus. Een pinda: staande ovatie. Meneer Ha laat zijn specialiteit aanrukken: zoet varkensvet, gebakken in sesamzaad. Anh slaat wellustig op zijn borst, zijn lach is zo breed als de baai van Halong: ‘Dit is pra, de ziel van de goden.’

Het begint te regenen als een oordeel. We hokken samen onder een Martini-parasol en meneer Ha ziet erop toe dat het bier blijft doorkomen. De fotograaf vertelt over een trip naar Tokio toen zijn foto’s daar werden tentoongesteld. Niemand haalde hem af van het vliegveld. Hij sprak geen Japans of Engels en Japanners spreken geen Vietnamees. 3 dagen zat hij verwilderd in zijn hotel, toen nam hij het vliegtuig terug. Later hoorde hij dat zijn foto’s een eclatant succes waren geweest. De tafel buldert van de lach. Hai verheft zijn slungelige lijf en doet voor hoe Japanners buigen: ‘Tot ze in hun eigen hol kunnen kijken!’ De hele garage lacht mee. De vertaalster glimlacht charmant, zoekt naar woorden: ‘You know, for Vietnam these guys are something very special…’

De woning van Hai ligt in een steeg. De vloeren en de trap zijn van beton. Vette lappen doen dienst als deuren. Hai deelt de bovenverdieping met zijn broer en diens gezin. Zijn vader woont op de begane grond, zijn grootvader in de kelder. Zijn vrouw serveert vissoep en rijst op een kleine eettafel, ingeklemd tussen het buffet en de matrassen waarop het gezin slaapt. Hun dochtertje van 4 jaar klautert over de enige leunstoel. Hai schuift zijn 5-jarige zoontje Thanh een vel papier toe: ‘Teken eens Tom en Jerry.’ Thanh pakt zijn fineliner en tekent moeiteloos de blauwe kat met een grote grijns op zijn gezicht. Onder de voorste klauw tekent hij een staartje met daaraan een piepklein geschrokken muisje: Tom heeft Jerry te pakken. ‘Hij krijgt het nog moeilijk, net als ik’, zegt Hai. Hij wijst naar het buffet: ‘Vroeger stond hier mijn schildersezel. Iedereen liep voor mijn voeten, mijn vrouw kon niet tegen de stank. Het was niet uit te houden. Nu heb ik godzijdank een atelier, alleen als ik mijn kinderen zo zie … Ik heb mijn trots, maar … ‘ Hij doet alsof hij zich verslikt. Zijn vrouw kijkt onverstoorbaar. Kleine Thanh is alweer begonnen aan een nieuwe Tom en Jerry.

Na de thee brengt hij me terug naar mijn hotel. Het is opgehouden met regenen, de straten zijn uitgestorven. Zachtjes snort de Honda over het glanzende asfalt, onder elektriciteitskabels, spandoeken en gele straatlantaarns door. 1 voor 1 glijden zijn schilderijen aan me voorbij. De blinde muren van de woonkazernes. De okergele Franse villa’s met hun groene luiken. Een avondwinkel met de schim van een late klant. Kleine huiskamers zonder gordijnen, de roze en groene wanden verlicht door een peertje of tl-buis. Voor de overheidsgebouwen hangen de rode vlaggen met gele ster kletsnat aan hun stok, als wapenschilden van de proletarische aristocratie. Het meer van Hoan Kiem is zwart, middenin drijft de halogeenverlichte tempel van de Schildpad als een fluorescerende pudding in een bord chocoladesaus.

In het hotel ligt mijn gastkrant Vietnam Investment Review in de rekken. De krant besteedt een halve kolom en een foto aan de tentoonstelling van Anh en Hai. Misschien heb ik bij de vernissage schouder aan schouder gestaan met de journalist. Zolang ik geen gesprek heb gehad met hoofdredacteur Dung, kan ik niet met zijn medewerkers kennismaken. Mijn jongste verzoek ligt alweer 5 dagen op zijn bureau. Ik gooi mijn balkondeur open en rook op mijn gemak een laatste sigaret. Thai Ba Van heeft alle tijd, dus waarom ik niet? – de Groene Amsterdammer, door Aart Brouwer [21.04.99]