Grootscheeps privatiseringsprogramma

Vietnam heeft een verse lading jonge soldaten die, net als tegen de Amerikanen in de jaren ’60 en ’70, ‘weer een glorieuze overwinning gaan behalen aan het economische front’.

Staatsbedrijven hebben aftandse machines in hun fabrieken staan, te veel personeel en gaan gebukt onder enorme schulden.

De vergelijking komt van de minister-president van het Zuidoost-Aziatische land, Phan Van Khai. Hij sprak kortgeleden tot 300 jonge Vietnamezen die zelf bedrijven hebben opgericht. Zoals het een Vietnamese communistische partijbons betaamt, refereerde hij aan de gewonnen ‘Amerikaanse oorlog’, die ruim de helft van zijn landgenoten echter niets meer zegt. ‘Jullie succes in de markt en jullie verrijking is een glorieuze overwinning voor land en natie, niet minder glorieus dan een overwinning op het slagveld.’

Het is sinds gisteren officieel in 1-partijstaat Vietnam: kapitalisme mag. Daartoe moeten in de komende 3 jaar ten minste 3.000 van de bijna 6.000 staatsbedrijven verdwijnen. De bedoeling is dat ze succesvol overgaan in private handen, maar waarschijnlijker is dat ze ten onder gaan en verdwijnen doordat de staat zijn handen er van af trekt. De staatsbedrijven, variërend van garnalenkwekerijen tot cementfabrieken, worden nu geleid door partijbonzen zonder al te veel managementkwaliteiten.

Door het monopolie dat de meeste van die bedrijven hadden viel de slechte bedrijfsvoering niet zo op. Maar 2 jaar geleden lieten de machthebbers wetgeving passeren die het iedereen vrij laat een eigen bedrijf te beginnen. Sindsdien hebben 35.000 ondernemers dat gedaan, mede gestimuleerd door een handelsakkoord dat vorig jaar met de voormalige vijand Amerika gesloten is. Ook partijpolitici hoeven zich niet langer tot staatsbedrijven te beperken, zei een lid van het Centraal Comité. ‘Zolang ze weten hoe ze legaal rijk kunnen worden én hoe ze mensen om zich heen verzamelen die ook rijk willen worden.’

Tegelijk brachten de jonge directeuren de zwakte van de staatssector aan het licht. De staatsbedrijven blijken aftandse machines in hun fabrieken te hebben staan, hebben veel te veel personeel en gaan gebukt onder enorme schulden. Weinigen zijn dan ook in aandelen van dergelijke ondernemingen geïnteresseerd.

Uit angst de marxistische grondbeginselen te ondermijnen, privatiseerde Vietnam sinds 1992 slechts 915 staatsbedrijven. De Wereldbank, die de Vietnamese economie dit jaar ziet groeien met ruim 5 procent, wil meer privatiseringen en belooft leningen.

De groei van de economie komt geheel door de private sector. Maar in de praktijk van het zakendoen worden de staatsbedrijven bevoordeeld, zegt Le Binh Hung, directeur van een promotiecentrum voor het midden- en kleinbedrijf, in de Far Eastern Economic Review van deze week. ‘Zakenmensen jammeren over de ingewikkelde procedures bij de bank en de zeer strikte regels rondom het onderpand.’ Staatsbedrijven kunnen soepele leningen krijgen zonder onderpand. Beginnende ondernemers moeten kapitaal zien los te peuteren van bekenden, of van loan sharks met woekerrentes.

Het lijkt er bovendien op dat de Communistische Partij de meest interessante staatsbedrijven zelf wil houden, althans: staatsbedrijven wil laten. Zo zullen partijleden het bestaande sigarettenmonopolie nimmer uit handen geven en dat van de loterij evenmin. En als de mijn-, olie- en gasindustrie, de telecomsector en de nationale luchtvaartmaatschappij concurrerend blijken te zijn, zullen dat ook staatsbedrijven blijven. Want, zo liet een anonieme partijtopman weten: ‘De staatssector moet natuurlijk wel een leidende rol blijven spelen om de socialistische ideologie overeind te houden.’ – NRC Handelsblad [07.05.02]